Onderhoudsbewust ontwerpen

Onderhoudsbewust ontwerpen
Om de mate van bescherming vast te stellen het beschermende systeem te kiezen en de frequentie en aard van het onderhoud te bepalen, moet rekening worden gehouden met een aantal factoren:

  • agressiviteit van de omgeving (macroklimaat);
  • gewenste levensduur;
  • materiaalkeuze;
  • vormgeving (profielkeuze en detaillering);
  • bereikbaarheid;
  • inspecteerbaarheid.

Copyright: Bouwkundige keuring Amsterdam

Conservering en onderhoud

Conservering en onderhoud
Elk bouwmateriaal verweert onder invloed van zijn omgeving. Constructiestaal corrodeert doordat het metaal reageert met zuurstof en water. Hierbij ontstaat een niet-afsluitende poreuze roestlaag op het staaloppervlak. Om die reden gaat de corrosie van staal onverminderd door. Daarom moet constructiestaal in veel gevallen worden beschermd tegen corrosie, omdat anders de sterkte van het materiaal uiteindelijk geheel verloren gaat.
Bij een staalconstructie wordt het staaloppervlak bescherm met een verfsysteem of met een metallieke deklaar. Het conserveren met een metallieke deklaag (verzinken en aluminiseren).

Copyright: Bouwkundige keuring Amsterdam

Bestek

Bestek
Een bestek dient met name om de voor het werk noodzakelijke inlichtingen te verschaffen. Het bestaat, naast een nauwkeurige beschrijving van het werk, uit een opsomming van voor het werk geldende administratieve en technische voorwaarden. Maar ook de manier waarop eisen aan kwaliteit en uitvoering in het bestek zijn beschreven is van grote invloed op het eindresultaat van het werk.
Een bestek (en daarbij de als bijlage bij het ‘bestekboek’ behorende tekeningen) behoort antwoord te geven op de volgende vragen:

  • Wat wenst de initiatiefnemer/opdrachtgever gerealiseerd te zien?
  • Welke materialen (soort en kwaliteit) dienen daarvoor te worden toegepast?
  • In welke hoeveelheden komen deze materialen voor in het project?
  • Op welke plaats(en) binnen het te realiseren project dienen de materialen te worden toegepast?
  • Binnen welke termijn moet het project of projectonderdeel opgeleverd zijn?
  • Welke zijn de bij de projectrealisatie behorende voorwaarden (specifieke uitvoeringsbepalingen)?


Het bestek regelt de juridische, technische en economische aspecten bij de totstandkoming van een bouwproject. Een nauwkeurig bestek draagt daarom bij aan het bereiken van de gewenste kwaliteit van de op te leveren staalconstructie.. Het bestek zal ook in andere opzichten (bijvoorbeeld bij de financiële eindafrekening van het project of de verlangde garanties) een onontbeerlijk document blijken te zijn. Het bestek mag niet worden beschouwd als een verzameling van los van elkaar staande werkbeschrijvingen. De samenhang tussen de diverse hoofdstukken is daarvoor te groot.
Tenslotte kan de bestekschrijver ook bij de onderhoudsaspecten een beangrijke rol spelen. In samenspraak met de architect/ontwerper en de staalconstructeur geeft de opsteller van een bestek het staalconstructiewerk een beangrijke meerwaarde door te attenderen op onderhoudsgevoelige detailleringen en door onderhoudsarme conserveringsmethoden en conserveringsmiddelen voor te stellen.

Copyright: Bouwkundige keuring Amsterdam

Europese voorschriften

Europese voorschriften
Naast de Nederlandse voorschriften bestaan er ook Europese voorschriften. Vergelijkbaar met de Nederlandse richtlijnen zijn de Europese ‘recommendations’. De ‘recommendations’ op het gebied van staalconstructies worden in het algemeen uitgegeven door de ECCS (European Convention for Constructional Steelwork).
Vergelijkbaar met de Nederlandse normen (NEN) zijn de Europese normen (EN), die in Nederland worden uitgebracht als NEN-EN voor het toetsen en berekenen van bouwconstructies.
Hieraan vooraf zijn deze normen al beschikbaar voor commentaar en om ervaring op te doen als zogeheten voornorm (NEN-ENV). De Europese normen op heet gebied van bouwconstructies heten ook wel Eurocodes. Op het gebied van staalconstructies zijn met name Eurocode 3 en Eurocode 4 van belang.
Het is elk Europees land toegestaan een Eurocode van toepasing te verklaren in het betreffende land. In dat geval moet wel elk deel van de Eurocode zijn voorzien van een zogeheten Nationale Bijlage, waarin het gewenste veiligheidsniveau nader wordt aangeduid.
Omdat noch de Eurocode, noch de bijbehorende Nationale Bijlagen vanuit het Bouwbesluit worden aangestuurd (dat gebeurt in de toekomst wel), hebben Eurocodes in principe nu nog dezelfde status als Nederlandse richtlijnen. Dit betekent dat controle van een constructie met rekenregels uit de Eurocode uitsluitend kan worden goedgekeurd op basis van het gelijkwaardigheidbeginsel.

Copyright: Bouwkundige keuring Amsterdam

Nederlandse voorschriften

Nederlandse voorschriften
Om draagconstructies te beoordelen zijn de eisen van belang die het Bouwbesluit stelt aan de constructieve veiligheid en bruikbaarheid. Voor bepalingsmethoden waarmee de vereiste prestaties kunnen worden aangetoond, verwijst het Bouwbesluit direct naar artikelen in NEN-normen. Andere artikelen en NEN-normen, waarnaar niet direct wordt verwezen, worden aangestuurd door verwijzingen binnen de normen. De huidige normen op het gebied van bouwconstructies dateren uit 1990 en heten ook wel TGB’s (Technische Grondslagen voor Bouwconstructies).

De NEN 670x-serie, waaronder NEN 6700 en NEN 6702, vormt de basis voor alle bouwconstructies. NEN 6700 geeft op fundamenteel niveau de eisen met betrekking tot veiligheid en bruikbaarheid waaraan alle bouwconstructies moeten voldoen, ongeacht het materiaal waarvan ze zijn vervaardigd. In NEN 6702 zijn deze fundamentele eisen verder uitgewerkt voor het bepalen van de belastingen, belastingcombinaties en toelaatbare vervormingen.

De NEN 67xx-serie bevat een aantal materiaalgebonden TGB’s, waaronder de rekenregels en toetsingsregels voor bouwconstructies uitgevoerd in een specifiek constructiemateriaal.

Het derde cijfer in de NEN-nummering geeft aan om welk materiaal het gaat (aluminium, staal, beton, hout, baksteen, enzovoort).
De TGB’s op het gebied van staalconstructies worden aangeduid met NEN 677x. In NEN 6770 staan de algemene basiseisen en basisrekenregels voor overwegend statisch belaste staalconstructies. De daarop volgende NEN-nummers hebben betrekking op specifieke onderwerpen. Voor staalconstructies zijn dat NEN 6771 (stabiliteit), NEN 6772 (verbindingen), NEN 6773 (koudgewalste profielen) en NEN 6774 (staalkwaliteit).

Naast normen bestaan er in Nederland ook richtlijnen, waarin rekenregels en controleregels zijn opgenomen. Deze richtlijnen worden niet direct aangewezen door het Bouwbesluit. Wanneer een ontwerper gebruik maakt van deze richtlijnen, moet de controle van een staalconstructie aan de eisen uit het Bouwbesluit altijd plaatsvinden op basis van gelijkwaardigheidbeginsel.
Richtlijnen op het gebied van staalbeton constructies worden bijvoorbeeld uitgegeven in samenwerking met het Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving (CUR).

Copyright: Bouwkundige keuring Amsterdam

Bouwbesluit

Bouwbesluit
Het Bouwbesluit, officieel getiteld ‘houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot het bouwen van bouwwerken uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, enerziezuinigheid en milieu’ is een Algemene Maatregel van Bestuur. De laatste versie is op 1 januari 2003 van kracht geworden en op 1 september 2005 gewijzigd. Het Bouwbesluit omvat alle bouwkundige eisen waaraan een bouwwerk in Nederland moet voldoen. Het voldoen aan deze eisen vormt een wettelijke basis voor het verkrijgen van een bouwvergunning. Het Bouwbesluit heeft uitsluitend betrekking op de publiekrechtelijke aspecten van nog te bouwen of al bestaande bouwwerken. Privaatrechtelijkse aspecten, zoals gebruikseisen ten aanzien van doorbuiging of uitvoeringsaspecten, moeten altijd tussen de betokken partijen onderling worden geregeld.
De in het Bouwbesluit geformuleerde eisen zijn ondergebracht in eisen ten aanzien van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en energiezuigheid. De eisen in deze vier categorieën hebben de volgende achtergrond:

  • veiligheid: het voorkomen of beperken van schakelijke of hinderlijke gevolgen voor gebruikers van het bouwwerk of derden;
  • gezondheid: het voorkomen of beperken van schadelijke of hinderlijke gevolgen voor gebruikers van het bouwwerk of derden;
  • bruikbaarheid: het mogelijk maken van het verrichten van de voor het bouwwerk kenmerkende activiteiten;
  • energiezuinigheid: het bijdragen aan een zuinig verbruik van energie in het bouwwerk


Het ligt in de bedoeling in de nabije toekomst een vijfde categorie eisen in het Bouwbesluit op te nemen. Deze eisen betreffen voorschriften op het gebied van milieu. Het doel van deze eisen is het voorkomen dat als gevolg van het bouwen het mileu (grond, lucht en water) te zeer onomkeerbaar wordt aangetast. Dit aspect wordt ook wel aangeduid met de term ‘duurzaam bouwen’.
Elke eis die in het Bouwbesluit is opgenomen wordt aangeduid als een prestatie-eis. Een prestatie-eis is afgeleid van functionele eisen en wordt gekwantificeerd als een minimum-eis. Voor het boordelen van de draagconstructie in een bouwwerk zijn met name de eisen met betrekking tot veiligheid en bruikbaarheid van belang.
Naast prestatie-eisen kent het Bouwbesluit zogeheten bepalingsmethoden. Met bepalingsmethoden kan direct worden aangetoond of een gebouw, ruimte of bouwdeel voldoet aan de vereist prestaties. De bepalingsmethoden liggen vast in normen (NEN), die het Nederlandse Normalisatie-instituut publiceert. Wie derhalve een bouwaanvraag indient en daarbij materialen en constructies wil toepassen waarvoor normen beschikbaar zijn, weet dus van te voren dat de bouwaanvraag niet op grond van bouw- en woontechnische eisen mag worden afgewezen.
Om toekomstige ontwikkelingen niet in de weg te staan kent het Bouwbesluit, naat het stelsel van prestatie-eisen, het gelijkwaardigheidbeginsel. Met het gelijkwaardigheidbeginsel kunnen bouwwerken, die niet zonder meer kunnen worden beoordeeld met de aangegeven bepalingsmethoden, toch worden ontwerpen en gebouwd. De aanvrager moet dan met andersoortige methoden (bijvoorbeeld experimenten) aantonen dat het bouwwerk prestaties levert zoals is beoogd met de voorgeschreven prestatie-eisen.

Een aparte status binnen het Bouwbesluit hebben de erkende kwaliteitsverklaringen. Erkend betekent in dit geval dat de kwaliteitsverklaring is opgesteld en afgegeven door een certificeringsinstelling, die door de Minister van VROM is erkend. Een kwaliteitsverklaring is in het algemeen gebonden aan een bouwproduct en bedoeld voor een bepaald toepassingsgebied. Met de kwaliteitsverklaring is impliciet aangetoond dat het bouwproduct aan de prestatie-eisen voldoet, of een gelijkwaardig kwaliteitsniveau behaalt. Hiermee is tevens aangegeven dat de kwaliteitsverklaring een relatie met prestatie-eisen en het gelijkwaardigheidbeginsel heeft.

Copyright: Bouwkundige keuring Amsterdam

Draagconstructie

Draagconstructie
De functie van de draagconstructie van een bouwwerk is het opnemen en overdragen van belastingen. De vorm en het type van de verschillende constructiedelen worden in het algemeen bepaald op basis van constructieve, economische en esthetische criteria. De minimaal benodigde afmetingen of dimensies hangen voornamelijk af van de constructieve criteria. Deze criteria zijn te vertalen in eisen aan sterkte, stijfheid en stabiliteit. De gekozen dimensies van de constructiedelen moeten garanderen, dat de constructie gedurende zijn levensduur de dragende functie goed vervult.
Voor het dimensioneren van constructiedelen staan ontwerpregels ter beschikking. Deze ontwerpregels zijn een handig hulpmiddel bij het globaal bepalen van de benodigde dimensies. De voorschriften bevatten rekenregels voor het controleren dan wel het toetsen van sterkte, stijfheid en stabiliteit. Door het gebruik van deze voorschriften ontstaat uniformiteit bij de controle van de veiligheid en bruikbaarheid van bouwwerken. De voorschriften kunnen zijn opgenomen in normen, maar ook in richtlijnen. Voor een bouwwerk, dat in Nederland wordt gebouwd, kan gebruik worden gemaakt van Nederlandse of van Europese voorschriften.

Copyright: Bouwkundige keuring Amsterdam

Bouwvoorschriften

Wet op de Ruimtelijke Ordening
Het doel van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) is om een zo doelmatig mogelijke indeling van het grondgebied in Nederland te bewerkstelligen. Dit betekent dat de in ons land zo schaarse ruimte over bepaalde bestemmingen moet worden verdeeld en wel zodanig dat het land leefbaar blijft. De wet biedt een algemeen kader waarbinnen zich de coordinatie voltrekt van alle bij het gebruik van de ruimte betrokken belangen. De wet is van toepassing op het gebruik en de inrichting van alle gronden en wateren.

Op landelijk niveau worden zogenaamde Planologische Kernbeslissingen (PKB) genomen. De regering neemt hiertoe het initiatief en de Tweede Kamer zal het daarna moeten goedkeuren. Een planologische kernbeslissing bevat de landelijke regels voor de inrichting van Nederland. Zo’n PKB beschrijft vrij globaal wat er met de ruimte moet gebeuren. Komt in een bepaald gebied landbouw of wordt het gereserveerd voor natuurgebied of toerisme.
Voorbeelden zijn de ontwikkeling van het hoofdwegennet, de uitbreiding van Schiphol, aanleg van Schiphol in zee of de aanleg van een havengebied. Het gaat hier om zaken van nationaal belang.

Op provinciaal niveau worden Streekplannen voorbereid en vastgeteld. Het Provinciaal Bestuur (Gedeputeerde Staten: G.S.) neemt het initiatief en Provinciale Staten stellen daarna een streekplan vast. Hierin worden gebieden voor wonen, natuur, recreatie en industrie aangewezen.
Zo staat in een streekplan waar steden en dorpen kunnen groeien en waar ruimte is voor landbouw, natuur en recreatie. De streekplannen moeten passen binnen de landelijke PKB’s.

Op gemeentelijk niveau worden Bestemmingsplannen vastgesteld, die passen binnen het streekplan. Het Gemeentebestuur (College van Burgemeester en Wethouders: B en W) zal met voorstellen komen en de Gemeenteraad zal deze vaststellen. Of bepaalde bouwwerken ergens zijn toegestaan, is afhankelijk van zo’n bestemmigsplan. Men dient zich hiervoor tot de gemeente te wenden. Ook het plaatsen van keten en directieverblijven kan hieraan getoetst worden.

Woningwet

In de Woningwet worden minimumkwaliteitseisen gesteld voor het oprichten van gebouwen in Nederland. De nadruk ligt op kwaliteitseisen voor woningen, woonketen, woonwagens en ander gebouwen. Uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en energiezuinigheid en milieu worden technische voorschriften gegeven omtrent het bouwen. Deze aspecten worden in een aantal besluiten verder uitgewerkt, zoals het Bouwbesluit.

Bouwbesluit

Het bouwbesluit is ontstaan uit de behoeft aan eenheid en veereenvoudiging van de vele bouwvoorschriften. Het Bouwbesluit is in werking getreden op 1 oktober 1992 en de laatste herzieningen zijn in werking getreden op 1 januari 2003. Het Bouwbesluit bevat alle (minimale) voorschriften omtrent het bouwen van nieuwe en het verbouwen van bestaande bouwwerken en standplaatsen. De voorschriften kan men onderscheiden in:
–              Bouwtechnische voorschriften;
–              Woon- of inrichtingstechnische voorschriften.

Bouwtechnische voorschriften hebben betrekking op de wijze waarop een bouwwerk worden samengesteld. Hierbij moet men niet alleen denken aan sterkte en materiaalkeuze, maar ook aan zaken als bouwfysische kwaliteiten, brandveiligheid en bescherming tegen criminaliteit. Woontechnische voorschriften geven aan hoe de situering, inrichting, afmetingen en oppervlakten van de ruimten in de woning behoren te zijn.

Uitgangspunten van het Bouwbesluit
De voorschriften van het Bouwbesluit zijn, afhankelijk van het bouwwerk waarop de voorschriften betrekking hebben, gerelateerd aan de in de Woningwet genoemde uitgangspunten:
–              Veiligheid;
–              Gezondheid;
–              Bruikbaarheid;
–              Energiezuinigheid;
–              Milieu.

Veiligheid
Hierbij behoren de voorschriften die betrekking hebben op:
–              de constructieve veiligheid (de sterkte van de constructive);
–              de gebruiksveiligheid (hoogteverschillen overbruggen, electriciteit- en gasvoorziening);
–              brandveiligheid;
–              het vluchten bij brand en bestrijding van brand;
–              de sociale veiligheid (tegengaan van kleine criminaliteit);
–              inbraakwerendheid van nieuwbouw.

Gezondheid
Hierbij behoren de voorschriften die onder meer betrekking hebben op:
–              beperking geluidshinder (weinig van geluid van buiten, installatielawaai);
–              vochtwering (van buiten en binnen het gebouw);
–              afvoer van afvalwater, fecalien, hemlwater, verbrandingslucht en rook;
–              toepassing van schadelijke materialen.

Bruikbaarheid
Hieronder vallen de voorschriften voor nieuwbouw die betrekking hebben op:
–              de toegankelijkheid zoals vrije doorgang door gangen, trappen, deuren en liften;
–              de aanwezigheid van bepaalde verblijfsruimten zoals bad- en toiletruimte;
–              het aanrecht en opstelplaatsen voor kook- en warmwatervoorziening.

Energiezuinigheid
Hieronder vallen de voorschriften voor nieuwbouw met betrekking tot:
de thermische isolatie;
–              de luchtdichtheid;
–              de energieprestatienorm.

Milieu
Dit hoofdstuk is nu nog leeg. Hierin worden straks ondermeer beschreven:
–              materiaal gebonden mileuprofielen;
–              stralingscoefficienten.

De bovengenoemde vier uitgangspunten zijn wettelijk geregeld in het Bouwbesluit.

De energiezuinighheid van een gebouw wordt weergegeven in de ‘Energieprestatienorm’ (EPN). Hierbij wordt alle energieverbruik met betrekking tot een gebouw in een coefficient vastgelegd. Daarbij worden zowel de bouwkundige eigenschappen als de eigenschappen van de installaties (verwarming, koeling, verlichting) in de beschouwing betrokken. Per gebuwfunctie geld teen energieprestatieeis (EP-eis), die niet mag worden overschreden. Hoe lager de EP-waarde, hoe energie-efficienter het gebouw. Het gaat hierbij om het beoordelen van de ‘energie-kwaliteit’ van een gebouw en niet om het beoordelen van het feitelijk energiegebruik.

Op welke wijze een lage EP-waarde wordt bereikt, wordt aan de partijen in het bouwproces zelf overgelaten. Een hoger energiegebruik ten gevolge van een ‘slechte verwarmingsketel’ met een lag rendement kan men in principe compenseren door bijvoorbeeld extra isolatie in de gevel.

Gemeentelijke Bouwverordening

Op grond van de Woningwet is de Gemeenteraad van een gemeente verplicht een bouwverordening vast te stellen. De bouwverordening bevat geen bepalingen omtrent de bouwtechnische, woontechnische en milieutechnische eisen. Deze bepalingen kan men vinden in het Bouwbesluit. Welk an men in de bouwverordening bepalingen vinden aangaande onderwerpen die betrekking hebben op de relatie bouwen-milieu, te weten het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond en het selectief slopen.
In artikel 8 van de Woningwet zijn de onderwerpen die de verordening moet bevatten opgeslomd. Dit betekent dat de bouwverordening geen andere voorschriften mag bevatten dan die in dit artikel genoemd zijn. De hierin genoemde onderwerpen zijn samen te vatten in:

a. Voorschriften omtrent gebruik van woningen, bouwwerken, e.d. open terreinen en erven,
woonwagens en standplaatsen
De gebruiksvoorschriften voor bouwwerken moeten in elk geval betrekking hebben op:
–              beschikbaarheid van drinkwater en energie;
–              reinheid, inclusief de afvoer van afvalwater en fecalien’
–              bestrijding van schadelijk of hinderlijk gedierte;
–              Brandveiigheid voor zover het geen bouwkundige eisen betreft;
–              het aantal personen dat in woningen, woonketen of woonwagens mag wonen.

b. Voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond
In verband met de beoordeling of er sprake is van een zodanige verontreiniging in de bodem dat het desbetreffende bouwwerk niet gebouwd zou moeten worden, moet bij de bouwaanvraag een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overlegd. In de bouwverordening is aangegeven aan welke eisen een dergelijke rapportage moet voldoen.

c. Voorschriften omtrent het slopen
De voorschriften omtrent het slopen hebben betrekking op het veilig en selectief slopen. Met selectief wordt bedoeld dat de sloopwerkzaamheden zodanig worden verricht dat een hergebruik van de vrijkomende materialen zoveel mogelijk wordt bevorderd en zo weinig mogelijk sloopafval ontstaat. Voor het slopen van projecten die asbest bevatten, gelden afzonderlijke regels.

d. Voorschriften van administratieve aard
De voorschriften van administratieve aard hebben onder andere betrekking op:
–              het voornemen tot het bouwen van een meldingsplichtig bouwwerk;
–              de overdragbaarheid van een bouwvergunning;
–              het overeleggen van gegevens, bescheiden en tekeningen die voor de bouwaanvraag
noodzakelijk worden geacht;
–              het gelijktijdig met de bouwaanvraag indienen van een of meer aanvragen voor vergunningen
die ingevolgde de milieuwetgeving voor het in gebruik nemen van het bouwwerk noodzakelijk
zijn.

e. Voorschriften omtrent de uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden
Tot deze uitvoeringsvoorschriften behoren onder meer voorschriften die betrekking hebben op:
–              de veiligheid op de bouw- of sloopplaats;
–              de tijdstippen waarop met de werkzaamheden mag of moet zijn begonnen of geeindigd.

f. Criteria omtrent redelijke eisen van welstand (Welstandscommissie).
In de Woningwet is bepaald dat het uiterlik en de plaatsing van lichtbouwvergunningsplichtige en regulier bouwvergunningsplichtige bouwwerken dienen te voldoen aan redelijke eisen van welstand.
Elke gemeente is verplicht om voor 1 juli 2004 een welstandsnota op te stellen. Hierin moet aangegeven worden wat de uitgangspunten zijn voor de welstandbeoordeling van de ingediende bouwplannen.

g. Voorschriften van stedenbouwkundige aard
Als voorschriften van stedenbouwkundige aard die in de bouwverordening kunnen worden opgenomen, kan men denken aan bijvoorbaald voorschriften met betrekking tot:

  • Rooilijnen;
  • De wegen waaraan mag worden gebouwd;
  • Plaatsing van bouwwerken ten opzicht van elkaar.

Met betrekking tot het bouwvergunningstelsel is in de Woningwet een driedeling van bouwwerken opgenomen:
A. Vergunninvrije bouwwerken;
B. Licht vergunningsplichtige bouwwerken;
C. Regulier vergunningsplichtige bouwwerken.

A. Bouwvergunningvrije bouwwerken
Vergunningvrije bouwwerken zijn, zoals de naam al zegt, bouwwerken die vrijelijk, zonder vergunning of enige voorwaarde vooraf, mogen worden gebouwd. Deze bouwwerken worden door de gemeente niet getoetst aan de in de bouwverordening genoemde criteria omtrent redelijke eisen van welstand.
Bouwvergunningvrije bouwwerken mogellijk maximal 1 bouwlaag hoog zijn en moeten bijdragen tot het woongenot.
Men kan stellen dat geen bouwvergunning nodig is voor:
–           onderhoud aan bouwwerken;
–           veranderingen en vernieuwingen van ondergeschikte betekenis, zoal het
(ver)plaatsen van binnenwanden;
–           veranderingen aan kozijnen welke niet gelegen zijn in de voorgevel of niet
aangebracht in een weg naar de weg of openbaar groen gekeerde zijgevel;
–           een aanbouw aan de bestaande woning met een maximale hoogte van 4 meter en
niet meer dan 0.25m boven de eerste verdiepingsvloer en minder dan 2.5m diep;
–           het bouwen van bijgebouw en overkappingen of achtererf op meer dan 1 meter
van de weg of openbaar groen met een maximum van 30m2 aan vergunningvrije
bijgebouwen;
–           het plaatsen van erfen en perceelafscheiding met een hoogte van maximaal 1
meter en het plaatsen van erfafscheidingen op meer dan 1 meter achter de
voorgevelrooilijn met een hoogte an 2 m op meer dan 1 meter van wegen
openbaar groen;
–           bushokjes en meterkasten van nutsbedrijven.

B. Licht bouwvergunningvrije bouwwerken.
Uit de naam blijkt dat het voornemen tot het bouwen van een dergelijk bouwwerk vooraf moeten worden gemeld bij B en W.
In de Welstandsnota meot de gemeente de eisen aangeven welke gelden voor de lichtvergunningplichtige bouwwerken. Deze bouwwerken worden wel getoetst aan: bestemmingsplan, bouwverordening, constructieve eisen uit het bouwbesluit en monumentenvergunningsvereisten.
Enkele voorbeelden van licht vergunningsplichtige bouwwerken zijn:
–           aan- of bijgebouwen welke voldoen aan vergunningsvrije bouwerken, maar een
monument is of een pand gelegen in beschems stads- en dorpsgezicht;
–           indien de aan-/uitbouw niet voldoet aan de kenmerken van vergunningsvrije en de
maximale hoogte 5 m bedraagt;
–           bijgebouwen en overkappingen, bestaande uit een bouwlaag van maximal 5m hoog
en een maximaal vloeroppervlak van 50m2.

C. Vergunningsplichtige bouwwerken
Voor het bouwen van alle andere bouwwerken moet bij het College van B en W een bouwvergunning worden aangevraagd. De aanvraag zal, naast de gebruikellijke tekeningen, onder andere vergezeld moeten gaan van:
–           technische gegevens, zoals constructietekeningen;
–           een onderzoeksrapport aangaande de bodemverontreiniging van het bouwterrein
en de bodem;
–           gegevens betreffende de plaats en kadastrake ligging van het bouwwerk;
–           de naam en het adres van de bouwonderneming die het bouwwerk gaat uitvoeren;
–           een opgave van de aannemingssom;
–           eventuele kwaliteitsverklaringen.

Fasering van vergunningen
Op verzoek kan een bouwvergunning in twee fasen worden verleend.
In fase 1 worden de planologische zaken en de welstandbeoordeling aangeboden. In fase 2 wordt vergunning verleent voor de bouwtechnische aspecten.

NEN-normen
In het Bouwbesluit worden prestatie-eisen gesteld. Anders gezegd, het materiaal of bouwonderdeel moet aan een minimale prestatie voldoen. Hierdoor krijgen fabrikant en bouwondernemer de mogelijkheid te laten zien waartoe hun bedrijf in staat is  bij hun striven om aan de gestelde prestatie-eis te voldoen. De prestatie-eisen zjin vastgelegd in de NEN-normen. Een NEN-norm is een door het Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven document. In dit document dat we een normblad noemen, wordt omschreven waaraan een tekening, materiaal, constructie, of bouwdeel moet voldoen. Het kan ook zijn dat in een NEN-norm wordt aangegeven hoe de keurings-, meet- of berekeningsmethode dient te geschieden. Wanneer een kwaliteitsverklaring of certificaat wordt overlegd, gaat het volgens de Woningwet om een verklaring die is afgegeven door een (door de Raad van Certificatie erkende) instelling.

Zee ekend was in de bouwwereld de ‘Stichting Kwaliteitsverklaringen Organisatie voor Materialen en Onderdelen voor de Bouw (KOMO).
Het KOMO-keurmerk en KOMO-certificaat blijven bestaan en zijn overgedragen aan een nieuwe stichting: de Stichting Bouwkwaliteit (SBK).
–           Andere instellingen die Onderdelen voor bouwwerken keuren zijn:
–           KEMA Keur – Keuringsinstituut voor Elektrotechnische Materialen;
–           NL – voor wandcontactdozen en dergelijke wordt het keurmerk NL gebruikt;
–           GIVEG – Gasinstituut Vereniging Elektrotechnische Materialen;
–           KIWA – Certificatie en Keuringen. De KIWA verzorgt onder andere de
keuring van waterleidingsartikelen.

De EU richtlijn bouwproducten verplicht de lidstaten hun publieksrechtelijke regelgeving zodanig aan te passen date er geen handelsbelemmeringen zijn voor de producten die in overeenstemming zijn met de Europese Technische Specificaties. Deze specificities zijn gerelateerd aan de fundamentele eisen waaraan een bouwwerk moet voldoen.
De eisen betreffen:
–           mechanische sterkten en stabiliteit;
–           brandveiligheid;
–           hygiene, gezondheid en milieu;
–           gebruiksveiligheid;
–           geluidshinder;
–           thermische isolatie.

De technische specificities worden vervolgens vastgelegd in Europese Geharmoniseerde Normen of Europese Technische Goedkeuringen. Wanneer een voor de bouw bested product in overeenstemming is met de Europese Technische Specificaties of erkende nationale specificities, mag dat product CE-markering voeren. Het Bouwbesluit bepaalt dat bouwproducten die zijn voorzien van de CE markering tevens worden aangemerkt al seen bouwproduct dat voorzien is van een kwaliteitsverklaring als bedoeld in de Woningwet.
De Stichting Bouwkwaliteit zal, evenals dat het geval is met de kwaliteitsverklaringen die een relatie met het Bouwbesluit hebben, een lijst bijhouden van bouwproducten die zijn voorzien van het de CE-markering.
Aankondiging van de publicatie van die lijsten zal eenmaal per half jaar in de Nederlandse Staatscourant  plaatsvinden.

Wat is CE-markering?
Dit is een markering bestaande uit de letters CE die op producten worden aangebracht om aan te geven dat het product is gefabriceerd conform de Europses regelgeving. In de verschillnde richtlijnen zijn details vermeld over de grootte, zichtbaarheid, enz. van de CE-markering.
CE-markering wordt op producten vermeld als ze voldoen aan een aantal criteria:
–           mechanische sterkte en stabiliteit;
–           brandveiligheid;
–           hygiene, gezondheid en milieu;
–           gebruiksveiligheid;
–           geluidshinder;
–           energiebesparing en geluidshinder.

Deze eisen zijn uitgewerkt in Europese technische specificities.

Architecten
Bij het ontwerpen van gebouwen schrijft u voor welke materialen toegepast moeten worden. Deze materialen moeten voldoen aan de geldende Europese normen en zijn dus te herkennen aan de CE-markering.

Aannemers
U bent verantwoordelijk voor de uitvoering van bouwplannen. U moet dus alert zijn op juist matriaalgebruik. De bouwmaterialen moeten in overeenstemmng zijn met de geldende bouwregelgeving end us voorzien zijn van een CE-markering.

Bouw- en Woningtoezicht
Bouw- en Woningtoezicht verleengt bouwvergunningen op basis van ingediende bouwplannen. Het buitentoezicht controleert of conform de b ouwplannen wordt gebouw. De bouwmaterialen op de bouwplaats moeten in overeenstemming zijn met de geldende buowregelgeving end us voorzien zijn van een CE-markering dien deze onder een Europese norm vallen waarvan de coexistentieperiode is afgelopen. De producteigenschappen van de CE-gemarkeerde bouwproducten dienen ook in overeenstemming te zijn met het beoogde gebruik.

Rijksinspectie
Inspecteurs van de Rijksinspectie controleren zo nodig of een fabricant terecht de CE-markering op zijn producten voert. Dit gebeurd bijvoorbeeld op verzoek van een concurrent, als het vermoeden bestaat dat de CE-markering onterecht is aangebracht.

Keurmerken/certificering
Naat de kwaliteitsregistratie door middel van de prestatie-eisen van materialen en producten is e rook nog sprake van zogenaamde erkenningsregelingen. Deze erkenningsregelingen hebben niets te maken met het al dan niet hebben van een vestigingsverhunning overeenkomstig de eisen van de vestigingswet. Een erkenningsregeling is een door of op initiatief van een branche-organisatie vastgestelde rgeling. Op grond daarvan verklaart een onafhankelijke erkende instantie da teen ondernemer al of niet lid van de organisatie, aan bepaalde eisen voldoet. Daarmee kan de ondernemer zich profileren.

Om als bedrijf al dan niet tot een bepaald systeem van erkenning te kunnen toetreden, kan een brancheorganisatie aan dat bedrijf bijvoorbeeld eisen stellen op het gebied van:
–           heb bouwbedrijf, zijn organisatie en beleid (moet bv zijn ingeschreven in
het Handelsregister, moet de benodigde verstigingspapieren bezitten;
–           het bouwbedrijf in relatie tot zijn opdrachtgever (bv het bedrijf heeft een
garantieregeling);
–           het bouwbedrijf in relatie tot leveranciers en onderaannemers (bv het
bedrijf betrekt materialen van die leveranciers die kunnen voldoen aan de
gestelde eisen);
–           het bouwbedrijf en zijn kwaliteitssysteem.

De eisen in een erkenningsregeling kunnen betrekking hebben op het verkrijgen van de erkenning (toelatingsvoorwaarden) en op het erkend blijven. Voor de aangesloten ondernemer kan de erkenningsregeling da nook een belangrijk acquisitie-instrument zijn.

Ter illustraatie een aantal voorbeelden uit de bouw:
–           erkenningsregeling voor het bestratingsbedrijf;
–           regeling voor de erkenning van CAI-installateurs;
–           reglement Certificatie Kraanverhuurbedrijven;
–           regeling voor erkenning van Watertechnische Installateurs.

Copyright: Bouwkundige keuring Amsterdam

Arbeidsomstandigheden

Arbeidsomstandigheden
Hieronder kunnen worden vertaan de aspecten Arbo, Milieu en Kwalliteit. Het begrip kwaliteit is al een aantal keren genoemd, maar ook Arbo- en milieu-aspecten behoren bij de totstandkoming van leveringen en contracten een rol te spelen. Als ondernemer hebt u de verantwoordelijkheid om:

  • De arbeid onder goede arbeidsomstandigheden te laten plaatsvinden;
  • De materialen op milieuvriendelijkheid te toetsen;
  • De onderaannemers rekening met Arbo- en milieu-eisen te laten houden;
  • Het materiaal op Arbo- en mileu-eisen te toetsen.

Bij het afsluiten van overeenkomsten dient de ondernemer dus na te gaan aan welke eisen voldaan moet worden. Als het goed is, heeft het zorgsysteem daarvoor de nodige standaard voorwaarden opgenomen. Dit betekent dus bij het aanvragen van offertes reeds aangeven van leveranciers en onderaannemers/verhuurders van materieel wat er van hen verwacht wordt met betrekking tot Arbo-, milieu- en kwaliteitseisen.

De kosten van Arbo, milieu en kwaliteit komen integral in de kostprijs tot uitdrukking. Er zijn bijvoorbeeld meer kosten te verwachten omdat de uitvoerder meer aandacht en dus meer tijd moet geven aan het uitvoeren van het werk volgens de regels die uit Arbo, milieu en kwaliteit voortvloeien. Anderszijds moet het terugverdieneffect ook meegenomen worden. Er zullen minder fouten gemaakt wroden en/of minder extra kosten bij het aanbieden van containers omdat de afvalstoffen gescheiden zijn. Ook hier geldt dat zoveel mogeliljk kosten zichtbaar moeten worden om de beheersbaarheid van alle kosten (soorten) mogelijk te maken .

Betrokken partijen
In de Arbeidsomstandighedenwet (ARBO-wet) staan de verplichtingen, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van werknemers en werkgevers op het gebied van de arbeidsomstandigheden beschreven.

De aard van de verplichtingen van de Arbo-wet zijn vooral organisatorisch en procedureel. De Arbo-wet is een zogenaamde ‘raamwet’. Dat betekent dat de Arbo-wet een ‘kapstok’ is waaraan de overige regelgeving is opgehangen. De Arbo-wet legt procedures vast die betrokken partijen en acht moeten nemen.
Deze partijen zijn:

  • Werkgevers;
  • Werknemers;
  • Ondernemingsraden;
  • Arbo-diensten;

De Arbo-wet leg took de procedures voor de bouw-CAO’s vast. De inhoudelijke eisen voor de arbeidsomstandigheden zijn opgenomen in het Arbobesluit en nader uitgewerkt in beleidsregels. Het uitwerken van bepaalde beleidsregels doet de Arbeidsinspectie in de AI-bladen of op verzoek van de sociale partners in de bouwnijverheid door de Stichting Arbouw in de A-bladen. De Arbo-wet heeft ten doel de veiligheid van de werknemers zoveel mogelijk te bevorderen. Uitgangspunt is daarbij dat de zorg voor de veiligheid, gezondheid en welzijn een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werknemers en werkgevers is.

Arbeidsomstandigedenbesluit
Het arbeidsomstandighedenbesluit is een nadere uitwerking van de Arbo-wet. Zo is in het Arbo-besluit afdeling 5 Bouwplaatsen de verantwoordelijkheid van de verschillende partijen in het bouwproces vastgelegd.
Werknemers in de bouw hebben een grotere kans op ongevallen dan de werknemers in andere bedrijfstakken. Door goede informative en cursussen zijn de werknemers in de bouw er van doordrongen dat zijzelf een bijdrage kunnen leveren in het terugdringen van het aantal arbeidsongevallen. Bij de uitvoering van de bouw moeten goede onderlinge afspraken worden gemaakt. Voor de bouwplaats moet vaak een veiligheids- en gezondheidsplan worden opgesteld (V&G-plan) en moeten er veiligheidscoordinaten worden aangesteld.

Bouwplaatsen Arbobesluit
het Bouwplaatsen Arbobesluit is gebaseerd op drie pijlers:
1. Verplicht aanstellen van coordinaten;
2. Melding van het bouwwerk/bouwplaats bij de Arbeidsinspectie;
3. Het Veiligheids- en Gezondheidsplan (V&G-plan).

Het Bouwplaatssen Arbobesluit is erop gericht een goede samenwerking tussen de betrokken partijen tot stand te brengen. Door de coordinatie van de zorg voor de arbeidsomstandighedn zal het werken in de bouw veiliger en gezonder worden.
Voordat met een bouwproject wordt begonnen, moeten de betrokkenen beslissen hoe zij willen samenwerken. Dit kan mmers van project tot project verschillen. In de huidige bouwpraktijd komen de volgende samenwerkingsvormen voor:
–              het traditionele model;
–              het turnkey-model;
–              het bouwteam-model;
–              projectontwikkeling.

De gekozen organisatievorm heeft gevolgen voor het al of niet betrokken zijn van uitvoerende partijen in de ontwerpfase. Bij het traditionele model ligt er een duidelijke scheidslijn tussen de ontwerpfase en de itvoeringsfase: het bouwbedrijf heeft geen invloed op het ontwerp. Wordt echter samengewerkt volgens het bouwteam-model, dan heeft het bouwbedrijf wel invloed op het ontwerp. Ook bij de andere organisatievormen (turnkey-model en projectontwikkeling) is de uitvoeringsdeskundigheid gewoonlijk reeds in de ontwerpfase aanwezig.
In de praktijk kan, als het bouwbedrijf al in de ontwerpfase meedenkt, in een voeg stadium rekening worden gehouden met de specifieke arbeidsomstandigheden in de uitvoeringsfase. Dit kan voordelen hebben bij het voldoen aan bepaalde verplichtingen, bijvoorbeeld bij de opzet en invulling van het Veiligheids- en Gezondheidsplan.

Het Bouwplaatsen Arbobesluit onderkent de consequenties die de keuzen in de ontwerpfase hebben voor de arbeidsomstaigheden in de uitvoeringsfase. Het Bouwplaatsen Arbobesluit bevat daarom verplichtingen voor zowel de ontwerp- als de uitvoeringsfase. Het Bouwplaatsen Arbobesluit geeft verplichtingen voor de opdrachtgever, de ontwerpende partij, de uitvoerende partij, de coordinaten en de werkgever(s).
Ieder bouwwerk begint met de beslissing van een opdachtgever tot bouwen. Daarom legt het Bouwplaatsen Arbobesluit (artikel 2.31) de opdrachtgever een aantal verplichtingen op, te weten:
–              in bepaalde gevallen moet een kennisgeving worden gestuurd aan I-SZW, Dienst voor Inspectie en Informatie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (inde volksmond genoemd de Arbeidsinspecite(s);
bij het ontwerpen van een bouwwerk moeten door de opdrachtgever en de ontwerpers de algemene preventieprincipes inzake veiligheid, gezondheid en welzijn, zoals omschreven in de Arbowet, worden nagegeleefd (artikel 2.32);

  • Een coordinator voor veiligheid en gezondheid voor de ontwerpfase moet worden aangesteld indien op de bouwplaats meerdere onderneming werkzaam zullen zijn;
  • In bepaalde gevallen moet door de coordinator ontwerpfase een Veiligheids- en Gezondheidsplan worden opgesteld;
  • Er moet een dossier worden opgesteld (informatiebron met bijvoorbeelt bestek en (revisie)tekeningen, onderhoudsvoorschriften en dergelijke;
  • In geval van nevenaanneming bij de uitvoering van het bouwproject moet worden bepaald welke partij het beleid rond de arbeidsomstandigheden coordineert;
  • In een overeenkomst met de uitvoerende partij moet worden vastgelegd dat een coordinator voor de uitvoeringsfase zal worden aangesteld;
  • Als een Veiligheids- en Gezondheidsplan is vereist, moet dit deel uitmaken van het bestek.

De opdrachtgever kan de taken die samenhangen met zijn verplichtingen opdragen aan een van de ontwerpende partijen. De opdrachtgever kan zijn  verantwoordelijkheid echter niet overdragen. Het Veiligheids- en Gezondheidsplan spelt een prominente rol in het Bouwplaatsen Arbobesluit. Het is bedoeld om het bouwproces op het punt van veiligheid en gezondheid te coordineren. Het maken van een Veiligheids- en Gezondheidsplan is verplicht als:
–              het werk risicovol is, zoals bepaald in het Bouwplaatsen Arbobesluit;
–              een kennisgeving verplicht is (zie ‘schematisch overzicht verplichtingen’).

 

De coordinator voor de ontwerpfase (artikel 2.30 Arbobesluit) geeft een eerste aanzet tot een Veiligheids en Gezondheidsplan. De basisversie van dit plan bevat de risico-inventarisatie en –evaluatie van het ontwerp.

Naarmate meer uitvoeringstechnische expertise aan het ontwerp wordt toegevoegd, zoals bijvoorbeeld in een bouwteam- of een turnkey-project, kunnen tijdens de ontwerpfase als afgesproken Arbomaatregelen en –voorzieningen in het Veiligheids- en Gezondheidsplan worden opgenomen. Zo niet, dan volgt nadere invulling in de uitvoeringsfase. Als het werk wordt aanesteed, maar het plan deel uit van het bestek. Op basis daarvan moet de uitvoerende partij het plan uitvoeren, al naargelang de omstandigheden verder invullen en zonodig uitbreiden.

Zodra de opdrachtgever het (eerste deel van het werk) werk aan de uitvoerende partij)en) heeft gegund, gat volgens het Bouwplaatsen Arbobesluit de ontwerpfase over in de uitvoeringsfase. De opdrachtgever heeft dan inmiddels ook een partij aangewezen die de arbeidsomstandigheden in de uivoeringsfase coordineert. Deze partij is vervolgens wettelijk verplicht (artikel 2.3 Arbobesluit) een coordinator aan te wijzen en is er verantwoordelijk voor dat de coordinator zijn taken ook kan uitvoeren.

De coordinator voor de uitvoeringsfase kan een uitvoerder of andere deskundige zijn in dienst van de verantwoordelijke aannemer. Het is echter ook mogelijk dat de coordinator in de ontwerpfase en de coordinator in de uitvoeringsfase een rechtspersoon is. Dit is bijvoorbeeld het geval als gebruik wordt gemaakt van een gecertificeerde Arbodienst of een bouwmanagementbureau. Het Bouwplaatsen Arbobesluit (artikel 2.34) kent de coordinator in de uitvoeringsfase de volgende taken toe:

  • Het coordineren van de inzet van de werkgevers en zelfstandig wrkende, zodat deze de genomen maatregelen en getrofen voorzieningen op een samenhangende manier toepassen en gebruiken;
  • Het organiseren en coordineren van de samenwerking tussen de op de bouwplaats aanwezige werkgevers en de daarna volgende werkgevers e nook de ventueel op de bouwplaats aanwezige zelfstandig werkenden in de samenwerking betrekken;
  • Het geven van aanwijzingen als werkgevers of zelfstandig werkenden naar zijn oordeel in onvoldoende mate of verkeerd uitvoering geven aan een samenhangende toepassing van hun verplichtingen zoals deze warden opgenomen in het Veiligheids- en Gezondheidsplan;
  • Het treffen van de nodige maateregelen zodat alleen bevoegde personen de bouwplaats kunnen betreden;
  • Ervoor zorgen dat in het Veiligheids- en Gezondheidsplan de benodigde gegevens staan vermeld;
  • Het aanpassen van het Veiligheids- en Gezondheidsplan en het dossier als de voortgang van het bouwwerk of Onderdelen daarvan aanleiding daartoe geven.

Kort samengevat komt de hoofdtaak van de coordinator erop neer ervoor te zorgen dan de integratie van de verschillende bedrijfsrisico-inventarisaties en –evaluaties in het Veiligheids- en Gezondheidsplan tot stand komt, zodat efficient op de bouwplaats kan worden samengewerkt.

Werkgevers blijven op grond van de Arbowet de eerstverantwoordelijken voor de arbeidsomstandigheden van hun werknemers. Het Bouwplaatsen Arbobesluit doet aan dat principe geen afbreuk. Wel zijn werkgevers en/of zelfstandigen verplicht samen te werken om ervoor te zorgen dat het Arbobeleid op de bouwplaats goed gestalte krijgt.

Werkgevers moeten het volgende naleven:
–              de Arbowet verplicht werkgevers tot het maken van een risico-inventarisatie en
-evaluatie. Indien binnen een bedrijf de omstandigheden zich wijzigen, moet deze  worden
aangepast. Deze risico-inventarisatie en –evaluatie moet door een gecertificeerde Arbodienst
worden goedgekeurd. Vanaf 1 januari 1998 dient ieder te beschikken over een getoetste
risicoinventarisatie en –evaluatie;

 

  • aangezien bouwbedrijven hun arbeidsomstandighedenbeleid toepassen op de bouwplaats, is het belangrijk dat dit interne Arbobeleid aansluit bij wat op de bouwplaats en in het bijzonder in het kader van het Veiligheids- en Gezondheidsplan wordt geeist;
  • zij moeten medewerking verlenen aan de uitvoering van het Veiligheids- en Gezondheidsplan;
  • zij moeten rekening houden met aanwijzingen van de coordinator uitvoeringsfase.

De maatregelen waartoe werkgevers verplicht op grond van het Bouwplaatsen Arbobesluit, hebben in het bijzonder betrekkng op (artikel 2.38 Arbobesluit):

  • het in goede orde en met voldoende bescherming van de veiligheid en gezondheid van de
    werknemers in stand houden van de bouwplaats;
  • de veilige situering van de verschillende werkplekken op de bouwplaats. Hierbij moet rekening worden gehouden met de toegangsmogelijkheden tot die bouwplaats en de vaststelling van de verplaatsingsroutes of –zones, dan wel verkeersroutes of –zones;
  • het interne transport van de verschillende materialen op de bouwplaats zelf;
  • de controle op in bedrijfsstelling, onderhoud en periodieke controle van installaties en toestellen, om mogelijke gebreken die de veiligheid en gezondheid van werknemers in gevaar kunnen brengen te voorkomen;
  • de afbakening en inrichting van zones voor definitieve opslag en tussenopslag van verschillende materialen en stiffen;
  • de voorzieningen voor de verwijdering van gebruikte gevaarlijke materialen;
  • de opslag en de verwijdering of afvoer van afval en puin;
  • de aanpassing van de daadwerkelijke duur van de uit te voeren werkzaamheden, afhankelijk van de voortgang van het bouwwerk;
  • de samenwerking met andere werkgevers en zelfstandig werkenden op de bouwplaats;
  • de wisselwerking met exploitatiewerkzaamheden op of in de nabijheid van de bouwplaats.

Zelfstandigen hebben dezelfde verplichtingen als werkgever. Bijzondere aandacht heeft daarbij arbeidsmiddelen en specifieke werkzamheden en persoonlijke beschemingsmiddelen, veiligheid- en gezondheidssignalering en herkeuring van het Arbobesluit.
De voorschriften in deze  hoofdstukken komen er in hoofdzaak op neer dat zelfstandigen verplicht zijn hun gereedschap in goede conditie te houden en op de juiste wijze te gebruiken. Als daartoe aanleiding is moeten ook persoonlijke  beschermingsmiddelen als mondkapjes en helmen worden gebruikt. Bovendien moeten zelfstandigen zich houden aan de afspraken in het Veiligheids- en Gezondheidsplan en de aanwiijzingen van de coordinator. Datzelfde geld took voor eventuele derden die de bouwplaats betreden zoals inspecteurs van de Arbeidsinspectie of ambtenaren van Bouw- en Woningtoezicht. De werkgevers van deze derden zijn hiervoor verantwoordelijk.

Copyright: Bouwkundige keuring Amsterdam

Bestekken

Bestekken
Een bestek is op het eerste gezicht niet veel meer dan een bundel papier en een stapel tekeningen. Het is de technische omschrijving van het uit te voeren werk. In een bestek worden ook een groot aantal afspraken en voorschriften van toepassing verklaard. De inhoud daarvan is de vinden in algemeen aanvaarde voorschriften en regels op onder meer administratief, technisch en juridisch gebied.

Volgens de UAV 1989 bestaat het bestek uit:

  • de beschrijving van het werk;
  • de daarbij behorende tekeningen;
  • de voor het werk geldende voorwaarden;
  • de nota van inlichtingen;
  • het procesverbaal van aanwijzing.

We kunnen bestekken indelen in traditionele en standaardbestekken. Onder traditionele bestekken verstaan we die bestekken die weinig of geen uniformiteit vertonen en waarbij per bestek de verantwoordelijkheden en risico’s anders geregeld kunnen zijn. Kreten als ‘ter goedkeuring van de directie’ zijn niet objectief en moeten in een goed bestek door meetbare eisen vervangen zijn. In verband met de vereiste eenduidigheid van de beschrijvingen ontstond er een behoeft aan gestandaardiseerde bestekken.

Op dit moment zijn er twee gestandaardiseerde bestekken:

  • het STABU-bestek: Besteksystematiek voor de Burger- en Utiliteitsbouw;
  • het RAW-bestek: Standaardbestek door de Stichting Rationalisatie en Automatisering grond- water- en wegenbouw.

De belangrijkste uitgangspunten voor het STABU- en RAW-bestek zijn:

  • de bestekken moeten een vaste indeling en structuur hebben;
  • gelijkwaardige contractpartners met eigen verantwoordelijkheden;
  • een eenduidige afbakening van verantwoordelijkheden:– opdrachtgever verantwoordelijk voor het ontwerp;– aannemer verantwoordelijk voor de uitvoering.
  • Handhaving van het huidige aanbestedingsstelsel;– ARW 2005.
  • eenduidge en relevante besteksadministratie;
  • betaling naar productie;
  • het bestek moet geschikt zijn voor een automaatische verwerking.

In een goed bestek worden de meeste kostenbeïnvloedende factoren omschreven. De belangrijkste informatie voor bovenstaande factoren zijn de antwoorden op de vragen:

  • Wat moet er gemaakt worden?
  • Waar moet het gemaakt worden?
  • Waarvan moet het gemaakt worden?
  • Wanneer moet het gemaakt worden?
  • Onder welke voorwaarden moet het gemaakt worden?
  • Welke hoeveelheden moeten er gemaakt/geleverd worden?

Bij voorkeur moet in een bestek niet worden beschreven HOE een wrk moet worden gerealiseerd (dit is in principe een zaak voor de aannemer), maar WAT er moet worden gemaakt. Het gaat dus om het resultaat.

STABU-bestek

De term ‘standaardbestek’ is eigenlijk enigszins misleidend, want een opdrachtgever kan zo’n bestek niet zonder meer op een bepaald bouwproject van toepassing verklaren. In ieder geval moeten, voor wat betreft de technische voorschriften, de bepalingen di voor het betrokken bouwproject van belang zijn, worden overgenomen uit het standaardbestek en moeten daaraan de bij voorkeur zelf berekende hoeveelheden materialen en eventueel zelf opgestelde aanvullende voorschriften worden toegevoegd. Dan pas heeft men, na completering met de UAV, van een standaardbestek een concreet projectbestek gemaakt.

Het STABU-bestek is een systeem waarmee men met de computer op eenvoudige wijze projectbestekken kan maken en bewerken.

Om de STABU-besteksystematiek te kunnen gebruiken, is het noodakelijk dat men beschikt over een speciaal computerprogramma. De STABU besteksystematiek gaat uit van zogenaamde resultaatbeschrijvingen. Hiermee wordt voorkomen dat de bestekschrijver zich onnodig bemoeit met de wijze van uitvoering van het bouwwerk. In het algemeen behoeft de opdrachtgever immers alleen aan te geven, aan welke eisen alle onderdelen van het bouwwerk moeten voldoen. Indien die eisen objectief meetbaar en controleerbaar omschreven zijn, kan de aannemer daaraan op zijn eigen, wellicht innovatieve manier voldoen. Een ander belangrijk voordeel van het STABU-bestek is de mogelijkheid tot geautomatiseerde calculatie. Indien het architectenbureau een projectbestek met behulp van de STABU systematiek heeft opgesteld, kan de aannemer dit bestek op een floppy bij de architect opvragen. Vervolgens kan de calculator van het aannemingsbedrijf het bestek door middel van een speciaal computerprogramma overnemen en aldus een snelle gedetailleerde prijsopgave voor het bouwwerk samenstellen.

De STABU-systematiek wordt geleverd in de volgende Onderdelen:

  • De STABU-Standaard 2001 waarin is opgenomen de UAV 1989;
  • De STABU-bestanden; dit zijn computerbestanden voor het formuleren van voorwaarden, het specificeren van onderdelen, alsmede voorbeelden van voorbladen en bijlagen.

Een STABU-bestek is altijd in dezelfde volgorde ingedeeld.

Hoofdstuk 01 – Algemeen
Hierin staan de algemene gegevens voor dit specifieke project, te wetn:

  • Wie de opdrachtgever is;
  • Wie de architect en adviseur is;
  • Algemene omschrijving van het werk met algemene projectgegevens;
  • Hoe de inschrijving gedaan moet worden;
  • De uitvoeringsdur;
  • De betalingsregeling.

Hoofdstuk 05 tot 84
Alle hoofdstukken in een STABU-bestek zijn gelijk ingedeeld volgens een vooraf vastgestelde hoofdstukindeling, die corresponderen met de besteksposten.

Hieronder is deze hoofdstukindeling gedeeltelijk weergegeven:
01 voor het werk geldende voorwaarden
05 Bouwplaatsvoorzieningen
10 Stut- en sloopwerk
12 Grondwerk
14 Buitenriolering en drainage
15 Terreinverhardingen
20 Funderingspalen en damwanden
21 Betonwerk
22 Metselwerk
23 Vooraf vervaardigde steenachtige elementen
24 Ruwbouwtimmerwerk
25 Metaalconstructiewerk
30 Kozijnen, ramen en deuren
31 Systeembekledingen
enz.

Werkbeschrijving
De werkbeschrijving bestaat uit besteksposten, die zijn samengesteld uit standaardteksten met invullingen en toevoegingen. De teksten zijn onderverdeeld in:
1.            Hoofdstuk;
2              Paragraaf;
3.            Korttekst;
4.            Specificatie.

RAW-Standaardbestek

Om de omvang van een bestek te beperken zijn een aantal zaken, die anders telkens opnieuw in een bestek beschreven zouden moeten worden, in boekvorm opgenomen. Door in een bestek deze boekwerken van toepassing te verklaren, wordt de omvang van een bestek aanzienlijk verminderd. In het bestek worden nu alleen die zaken en aanvullingen vermeld, die specifiek voor het betrefffende werk van toepassing zijn.

Voorbeelden van deze boekwerken zijn:
–              ARW 2005;
–              UAV 1989;
–              Standaard RAW-Bepalingen 2005.

In het ARW 2005 en de UAV 1989 staan regels, verplichtingen en rechten van zowel opdrachtgever als aannemer. Het ARW 1999 wordt gebruikt om de aanbesteding volgens de juiste regels te laten verlopen en de UAV wordt gebruikt tijdens de uitvoering van het werk., dus na de gunning. Deze beide boeken zin bijna altijd van toepassing verklaars in bestekken. De Standaard RAW 2005 bevat, naast de regels en zaken die deze beide boekwerken bevatten, nog meer regels die specifiek betrekking hebben op de RAW-systematiek. De Standaard wordt altijd in een RAW-bestek van toepassing verklaard.

Standaard besteksindeling

Deel 0: Totstandkoming van de overeenkomst
Dit deel bevat gegevens die voor de gunning van belang zijn, ook wel aangeduid als de precontractuele gegevens. Tot de precontractuele gegevens behoort informative over de aanbesteder, de gevolgde aanbestedingsprocedure, inschrijving, inschrijvingsstaat en opdracht.

Deel 1: Algemeen
Dit deel omvat algemene gegevens die betrekking hebben op het project zelf, ook wel aangeduid als de contractuele gegevens. Tot de contractuele gegevens behoort informatie over de opdrachtgever, de directive, locatie van het wrk, het werk (algemene beschrijving), tijdsb epaling (uitvoeringstermijn, oplevering) en de onderhoudstermijn.

Deel 2: Beschrijving

Deel 2.1: Algemene gegevens

Deel 2.1 heeft minimaal de volgende paragrafen:

01 Tekeningen (die onderdeel zijn van het bestek);
02 Peilen en hoofdafmetingen.

Deel 2.2 Nadere beschrijving
Deel 2.2 begint met een vaste pagina. Dit is de juridische verantwoording van de staat die volgt na deze pagina. Hier wordt duidelijk aangegeven wat er in de volgende staten zeer belangrijk is voor de calculatie van het werk en later ook bij de uitvoering.

Paragraaf 02 Kenmerk resultaatsverplichting

Deze geeft een verklaring van de kenmerken die we tegenkomen in de kolom hoeveelheid resultaatsverplicht. Deze zijn:
–              (V) Verrekenbaar, verrekenbare hoeveelheid;
–              (N) Niet-verrekenbaar, niet verrekenbare hoeveelheid;
–              (A) Te accorderen, te accorderen hoeveelheid.

Paragraag 03 Hoeveelheid ter inlichting

Deze geeft een verklaring van de kenmerken die we tegenkomen in de kolom hoeveelheid ter inlichting. Deze zijn:

  • (L) Bouwstof te leveren door aannemer;
  • (T) Ter beschikking gesteld door opdrachtgever;
  • (I) Ter inlichting, niet zijnde een bouwstof die door de aannemer moet worden geleverd dan wel door de opdrachtgever ter beschikking wordt gesteld.

Verder staat in deze paragraaf dat de in de kolom ‘hoeveelheid ter inlichting’ vermelde hoeveelheden uitsluitend ter inlichting worden verstrekt. Wanneer deze hoeveelheden afwijken van die, af te leiden uit de resultaatsverplichting, zijn deze laatste bindend. Dit betekent dat  indien een onjuiste hoeveelheid (L, T of I) staat vermeld in de kolom ‘hoeveelheid ter inlichting’ en deze is af te leiden uit de resultaatsverplichting hier geen verrekening plaats vindt. In het laatste deel van deze paragraaa staat verder nog dat het verwerken van de in de kolom ‘hoeveelheid ter inlichting’ vermelde hoeveelheden, voorzover niet anders vermeld, tot de resultaatsverplichting behoort.

Paragraag 04 Grenzen van situering

Hier wordt verklaard dat de grenzen van de situering, in de hierna volgende staat, global zijn. Hierdoor is het voor de directie mogelijk om tijdens de uitvoering, voorgeschreven werkzaamheden op een andere plaats innen de grenzen van het werk te laten uitvoeren. Dit geldt alleen zolang de omstandigheden op de nieuwe situering vergelijkbaar zijn aan de oorspronkelijke situering zoals beschreven in het bestek.

Deel 2.2 bestaat uit een nadere beschrijving van het uit te voeren werk en is opgebouw uit resultaatsverplichtingen, ook wel bestekposten genoemd.

Een bestekpost moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
–              Eenduidige en relevante omschrijving;
–              Nagenoeg kostenhomogeen;
–              Uitvoeringsgericht;
–              Correct calculeerbaar.

Bestekposten zijn opgebouw uit:
–              Bestekpostnummer;
–              Catalagus nummer (Hoofdcode en Deficode);
–              Omschrijving;
–              Eenheid;
–              Hoeveelheidresultaatsverplichting;
–              Hoeveelheid ter inlichting.

Bestekpostnummering wordt voor het volgende gebruikt:
6 cijfers worden gebruikt voor het samenstellen van een resultaatsverplichting.
Een bestekspostnummer bestaande uit zes cijfers en eindigend op nul is het betalingsniveau;
1-4 cijfers wordt gebruikt om het bestek in de delen in hoofdstukken. Deze indeling wordt door de bestekschrijver gemaakt. Hierdoor wordt de leesbaarheid van het bestek vergroot. Met bijvoorbeeld een-cijferige bestekpostnummers kan hij een hoofdindeling aanbrengen met de overige cijfers, kan hij een onderverdeling van subhoofdstukken aangeven, zie onderstaand voorbeeld:

1            Hoofdstuk GRONDWERK
111         Onderdeel Ontgraven cunetten
111010   Resultaatverplichting
111020   Resultaatverplichting
121         Onderdeel Ontgraven Bermsloten
121010   Resultaatverplichting
121020   Resultaatverplichting

Het catalogusnummer
Bij de RAW systematiek hoort een catalogus. Dit is een verzameling van besteksteksten met variaties in mogelijkheden om een juiste bestekomschrijving te maken die da nook calculeerbaar is. Dit gebeurt door een nummersysteem.
Het catalogusnummer bestaat uit:
_             De hoofdcode;
–              De deficode.

Na het aanmaken van het bestekpostnummer selecteert de bestekschrijver meestal een resultaats- beschrijving uit de RAW-catalogus met resultaatsbeschrijvingen. Met de keuze van de beschrijving is ook gelijk de hoofdcode voor die bestekpost vastgelegd. De deficode wordt opgebouwd door binnen een standaard beschrijving vaste teksten (inhouden) te selecteren.

De hoofdcode
Deze is opgebouwd uit:
–              Werkcategorie:                 de eerste twee cijfers van de hoofdcode;
–              Subwerkcategorie:            De middelste twee cijfers van de hoofdcode;
–              Volgnummer:                    de laatste twee cijfers van de hoofdcode.

De werkcategorie:
De werkcategorie correspondeert met de hoofdstuknummering van de Standaard RAW-Bepalingen. Hiermee is een directe relatie gelegd tussen de desbetreffende beschrijving uit de RAW-catalogus met het desbetreffende hoofdstuk uit de Standaard RAW-Bepalingen.

Beschikbare werkcategorieen zijn:
11           Sloopwerk
17           Verontreinigde grond en verontreinigd water
21           Bemalingen
22           Grondwerken
23           Drainage
24           Sleuf- en sleufloze technieken
25           Leidingwerk
26           Kabelwerk
28           Funderingslagen
30           Wegverhardingen I
31           Wegverhardingen II
32           Wegbebakening
33           Afschermingsvoorzieningen
34           Verlichting
36           Geluidsbeperkende constructies
38           Spoor- en tramwegen
41           Funderingsconstructies
42           Betonconstructies

Als een bestekschrijver een resultaatbeschriving wil maken voor grondwerk dan komt deze terecht, binnen de RAW-catalogus met resultaatbeschrijvingen, in werkcategorie 22 Grondwerken.

De subwerkcategorie
Een werkcategorie is verder verdeeld in subwerkcategorieen. Bijvoorbeeld werkcategorie 22 Grondwerk is verder onderverdeeld in de volgende subwerkcategorieen:

22.01.    Grond ontgraven
22.02.    Grond vervoeren
22.03.    Grond verwerken
22.04.    Grond scheiden, verdichten en profileren
22.08.    Zakbaken
22.11.    Cultuurtechnisch grondwerk
enz.

Het volgnummer
Binnen elke subwerkcategorie staan een of meer resultaatbeschrijvingen. Elke resultaatbeschrijving binnen een subwerkcategorie krijgt zijn eigen volgnummer.

Door middel van deze indeling in werkcategorieen en subwerkcategorieen kan een bestekschrijver redelijk eenvoudig de juiste resultaatbeschrijving vinden in de RAW-catalogus met resultaatbeschrijvingen. Met de keuze van een beschrijving binnen een subwerkcategorie ligt de hoofdcode vast.

Voorbeeld:

22.01.01.Grond ontgraven uit watergang/geul/cunet/put/haven
22.01.02.Grond ontgraven uit ophoging
22.01.03.Grond ontgraven uit bekleding

De deficode
Door middel van de deficode kan specificatie van het in de bestekpost te beschrijven onderdeel van het werk plaatsvinden. De deficode is een hulpmiddel om een keuze te kunnen maken uit de verschillende standaardsteksten die zijn opgenomen in de resultaatbeschrijving. De deficode bevat 6 posities (kolommen). Per positie, dus per groep teksten, maakt de bestekschrijver een keuze uit de mogelijkheden, welke de inhouden worden genoemd.

Deel 3: Bepalingen
Dit deel van het bestek is bested voor bepalingen. Het gaat hierbij om:
–              Algemene bepalingen;
–              Administratieve bepalingen;
–              Technische bepalingen.

De bestekschrijver verklaart in Artikel 01.01.01 de ‘Standaard RAW  Bepalingen’ van toepassing. Hierdoor zijn in een keer alle bepalingen uit de Standaard RAW bepalingen van toepassing en hoeven deze dus niet 1 op 1 te worden opgenomen in het bestek. Hierdoor blijft het bestek aanzienlijk dunner.

In deel 3 van het bestek komen we de volgende bepalingen tegen:
–              Projectgebonden bepalingen (alleen geldend voor dit werk);
–              Aanvullingen op de Standaard RAW Bepalingen;
Wijzigingen op de Standaard RAW Bepalingen.

Copyright: Bouwkundige keuring Amsterdam